Thuiswerken helpt ziekteverzuim verlagen

10 september 2012

De vraag hoe het ziekteverzuim, het arbeidsongeschiktheidsvolume en de arbeidsparticipatie van mensen met een gezondheidsbeperking zich tegen deze achtergrond ontwikkeld hebben, is het onderwerp van de SCP-rapportage Belemmerd aan het werk. Het rapport is tot stand gekomen in samenwerking met het CBS, TNO en UWV en is onlangs uitgekomen. Wat meteen opvalt in de SCP-rapportage is dat Nederland er op het gebied van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid inmiddels beter voor staat dan tien jaar geleden. Het ziekteverzuim bedroeg in 1990 nog 7,0 procent en is sinds 2007 gestabiliseerd op 4,2 procent. Ook trad een kentering op in de stijging van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Dit daalde van ongeveer 950.000 in 2000 tot ruim 800.000 in 2010. Uitzondering is het volume in de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) dat meer steeg dan verwacht. In 2010 is de Wajong ingrijpend veranderd en meer gericht op activering. Hoewel het nog te vroeg is om conclusies te trekken over de effecten van de aanpassingen, zien we dat de instroom in 2011 voor het eerst in jaren is afgenomen. Ook in internationaal perspectief verbeterde de positie van Nederland, hoewel het aandeel arbeidsongeschikten en de uitgaven aan arbeidsongeschiktheid vergeleken met andere EU-landen nog steeds hoog zijn.

Daling arbeidsparticipatie mensen met beperking

In de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsbeperkingen zien we weinig verandering. De arbeidsdeelname van gedeeltelijk arbeidsongeschikten nam de afgelopen jaren iets af van 60 procent in 2002 naar 57 procent in 2010. Dit komt ondermeer doordat de gemiddelde leeftijd steeg en ouderen minder goede kansen hebben op de arbeidsmarkt. De arbeidsdeelname van volledig arbeidsongeschikten bleef in deze periode stabiel op 12 procent. Wel hebben arbeidsongeschikten van nu door aanscherping van de toegangscriteria gemiddeld meer beperkingen dan de arbeidsongeschikten van een aantal jaren geleden. Ook de recessie speelt waarschijnlijk een rol.

Uit de analyses komen aandachtspunten naar voren die van belang zijn voor het vergroten van de arbeidsdeelname van mensen met beperkingen. De betrokkenheid van werkgevers is hierbij cruciaal. In de periode 2008-2010 nam 16 procent van de Nederlandse werkgevers bewust mensen uit kwetsbare groepen in dienst. Zij zien het vooral als een sociale plicht om ook minder productieve mensen een plek te geven in hun bedrijf. Financiële tegemoetkomingen (via bijvoorbeeld loonkostensubsidies en premiekortingen) kunnen werkgevers nauwelijks overhalen meer mensen uit kwetsbare groepen in dienst te nemen. Wel willen ze gecompenseerd worden voor de risico's en kosten, zoals een mogelijk lagere productiviteit, extra begeleiding of aangepast meubilair.

Het belang van een werkgeversrelatie komt ook sterk naar voren bij de groep mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt zijn en geen recht hebben op een WIA-uitkering. Bij de invoering van de WIA is met werkgevers afgesproken dat zij deze '35-minners' als het enigszins kan in dienst houden of anders zorgen voor re-integratie bij een andere werkgever. Naar nu blijkt heeft ruim de helft van de 35-minners echter geen werkgever. Zij, de zogenaamde ‘vangnetters', blijken kwetsbaar, omdat ze zónder recent arbeidsverleden en mèt resterende arbeidsbeperkingen een werkgever moeten zoeken.

Thuis- en telewerken bieden nieuwe mogelijkheden

De WIA is bedoeld om mensen met gezondheidsbeperkingen naar vermogen te laten werken. Uit een analyse van de prikkels voor verscheidene groepen komt naar voren dat zowel gedeeltelijk als volledig arbeidsongeschikten er financieel inderdaad op vooruit gaan wanneer zij een paar uur werken. De financiële prikkel voor uitbreiding van het aantal uren daarentegen blijkt veel geringer. Mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt zijn en recht hebben op ww verdienen nauwelijks meer als ze weer aan het werk gaan. Ook voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten met lagere inkomens loont het niet altijd om meer uren te gaan werken. De arbeidsdeelname van mensen met een gezondheidsbeperking is vanzelfsprekend niet alleen een financiële afweging. Werklozen die hun gezondheid als slecht of zeer slecht beleven, gaan veel minder vaak weer aan het werk dan mensen die zich goed gezond voelen. De beleving van de gezondheid blijkt vaak meer van belang voor succesvolle re-integratie dan de aandoening zelf, al gaat dit niet op voor mensen met zeer zware beperkingen.

Tot slot bieden nieuwe werkvormen mogelijk kansen om de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsbeperkingen te verhogen en het ziekteverzuim te reduceren. Het ziekteverzuim van werknemers die thuis- en telewerken is een half procespunt lager dan dat van werknemers die dat niet doen. Bij arbeidsgehandicapten loopt dit verschil op tot twee procentpunt. Ook werken mensen met een arbeidshandicap meer uren wanneer zij thuis- en telewerken. Hiervoor zijn diverse verklaringen denkbaar. Zo levert thuis- en telewerk mogelijk minder reis- en kantoorstress op, kan men bij thuiswerk de werktijden plannen rond zorgtaken, en is thuiswerk veelal gemakkelijker te combineren met artsbezoek, therapie of verzorging. Hoewel thuis- en telewerk niet voor alle functies en in alle omstandigheden mogelijk is, lijkt het kansen te bieden het ziekteverzuim te verminderen en de arbeidsparticipatie van mensen met een gezondheidsbeperking te verhogen.

Bron: SCP

Preventiemedewerker cursus

Meer weten over Arbo en ziekteverzuim? Volg de praktische preventiemedewerker cursus van V-Kam Education!


V-Kam Education werkt onder andere voor:

Meer opdrachtgevers